Symfonie nr. 5 in cis-mineur

Met zijn Symfonie nr. 5 (1901-1902) ontdeed Mahler zich eindelijk van alle non-muzikale context. Dit was geen programmamuziek, er waren geen titels en ook geen gezongen teksten. De muziek sprak voor zich. Toegegeven, hij noemde het eerste deel ‘Treurmars’, maar eigenlijk is die benoeming overbodig. De dood is aldoor aanwezig in dit werk; eerst op een spectaculaire, macabere wijze en daarna met een melancholische wanhoop. Ook zijn er verwijzingen naar een Joodse folkloristische treurzang. Een turbulent allegro (‘Stormachtig bewogen’) probeert zich te ontworstelen aan deze beklemming. Dat deel bereikt zelfs een moment van hymnische pracht, maar stort uiteindelijk terug in de duisternis van het openingsdeel. Muzikanten en critici hebben eindeloos gediscussieerd over het daaropvolgende deel: het krachtige en uiteindelijk zelfs manische ‘Scherzo’ knalt uit de startblokken. Het is alsof er vuurwerk wordt afgestoken tijdens een dodenwake. Hoe verhoudt dit zich tot wat we eerder hoorden? Maar Mahler was zich er scherp van bewust dat het leven bestaat uit puzzels en paradoxen. Dat besef verwerkte hij voortdurend in zijn muziek. Na het koortsachtige einde van het ‘Scherzo’ komt het befaamde ‘Adagietto’ voor strijkinstrumenten en harp, dat voor Mahler moest dienen als liefdeslied voor zijn nieuwe vrouw, Alma. Dan volgt de gespierde fuga ‘Rondo finale’, die terugblikt op eerdere delen en uitmondt in een triomfantelijke terugkeer naar de hymne uit het tweede deel, dat wordt doorgetrokken naar het slot in een majeurtoonsoort. Maar is dit ook echt een triomf? Zijn er nog onopgeloste spanningen? Het werk van Mahler roept zulke vragen op en is daarom zo modern − en eindeloos fascinerend.

Gerelateerde muziekstukken