Ein deutsches Requiem

Op. 45

Ein deutsches Requiem is het langste werk in het oeuvre van Brahms. De première van de definitieve versie met zeven delen, op 18 februari 1869, gaf zijn status een grote impuls. Brahms koos diverse passages uit de Lutherbijbel, en vermeed daarmee de apocalyptische inborst van de Latijnse dodenmis. In Brahms’ requiem ligt de nadruk op mededogen voor degenen die nog leven en zich voorbereiden op het leven dat nog komen gaat. Dat komt direct naar voren in het eerste deel, ‘Selig sind, die da Leid tragen’ (‘Gezegend zijn degenen die rouwen’), met zijn sombere en tedere beheersing. In het derde deel, ‘Herr, lehre doch mich’, gaat een aria voor bariton vol angst over in een energieke koorfuga, en het vijfde deel, ‘Ihr habt nun Traurigkeit’, is een aria voor sopraan die vermoedelijk is geïnspireerd door het overlijden van Brahms’ moeder. Het zesde deel, ‘Denn wir haben hier keine bleibende Statt’, gaat van een rusteloze aria voor bariton over een dramatisch koordeel dat uitmondt in een triomfantelijke fuga. Het slotdeel ‘Selig sind die Toten’ keert terug naar de geest en de muziek van het openingsdeel. Zij die lijden moeten worden getroost, namelijk via de afsluitende boodschap: zalig zijn de doden, die in de Heer sterven.

Gerelateerde muziekstukken