Pianosonate nr. 8 in c-mineur

Op. 13 · “Pathétique”

Beethoven was een van de meest bewonderde pianisten van zijn generatie, maar hij was geen conventionele virtuoos. Waar vuurwerk op de toetsen en extreme vingervlugheid de dominante trend waren, beukte Beethoven in op piano’s tot het punt dat ze implodeerden. Ongelukkige assistenten moesten de gebroken snaren lostrekken terwijl hij doorging met spelen, blijkbaar blind voor de chaos om hem heen. Geen van zijn andere vroege pianosonates vangt de jonge leeuw in volle gang met zo’n intensiteit als Pianosonate nr. 8, ook bekend als Sonate Pathétique. Het is een van de weinige kleurrijke bijnamen die Beethoven goedkeurde. De sonate − die in 1798 werd voltooid en was opgedragen aan een van zijn meest gewaardeerde mecenassen, Prins Karl von Lichnowsky (1761-1814) − werd zo snel berucht dat het met spoed werd geprint in Wenen en Leipzig. Beethoven barst gelijk los met een verpletterend akkoord in c-mineur, gevolgd door een opeenvolging van tonaal ontregelende verminderde akkoorden, die een stormachtig muzikaal landschap scheppen. Het centrale deel ‘Adagio Cantabile’ zorgt voor een melodieuze oase van rust, voordat het slotdeel ‘Rondo’ terugkeert naar een intimiderende c-mineur, maar nu met de nodige speelse eigenzinnigheid.

Gerelateerde muziekstukken