Symfonie nr. 4 in f-mineur

Op. 36, TH 27

Tsjaikovski’s Symfonie nr. 4 staat voor de zege van vreugde en blijdschap op de onderdrukkende kracht van het lot. Het werk werd geschreven in 1877-1878, toen de Rus zich zowel ellendig als hoopvol voelde. Hoewel hij een homoseksuele man was, trouwde hij in 1877. Het werd een mislukte relatie, die leidde tot depressiviteit en een zelfmoordpoging. Gelukkig had hij het jaar daarvoor een mecenas verworven, Nadezjda von Meck, die met haar financiële en emotionele steun Tsjaikovski door de crisis sleepte. Vandaar dat hij besloot het werk op te dragen aan Von Meck. Ook schreef hij haar veel brieven waarin hij de compositie uitlegde. Het eerste deel opent met een strenge oproep op een blaasinstrument. Tsjaikovski vergeleek dat met het begin van Beethovens Symfonie nr. 5 en wees dat aan als een motief dat voor het lot staat. Dat motief keert in het eerste deel aldoor terug en drukt zijn duistere stempel op de vrolijkere thema’s, waaronder een wals. Het tweede deel begint met een subtiele melodie op hobo. Het schept een bedachtzame en ietwat berustende stemming. Tsjaikovski beschreef het als het melancholische gevoel dat iemand heeft aan het einde van een vermoeiende dag. Het derde deel, ‘Scherzo. Pizzicato ostinato – Allegro’, wordt voortgedreven door strijkinstrumenten die aldoor pizzicato worden gespeeld. “De eerste fases van bedwelming laten de teugels vieren voor de verbeeldingskracht”, schreef Tsjaikovski daarover. De blaasinstrumenten en koperblazers roepen uiteenlopende associaties op, inclusief blije liederen en een militaire optocht. Het primaire thema van ‘Finale. Allegro con fuoco’ is een Russisch volkslied dat wordt uitgewerkt tot een spectaculair orkestraal klapstuk. Tegen het einde keert het lotsmotief terug, maar de positieve energie van de muziek blijkt sterker, waarna de symfonie eindigt met een triomfantelijke gloed.

Gerelateerde muziekstukken