
- KEUZE VAN DE REDACTIE
- 2014 · 19 tracks · 1 u. 1 min.
Requiem in d-mineur
K. 626, KV 626
Mozarts Requiem is een van de grootste monumenten van het koorrepertoire, maar blijft in mysterie gehuld. Het werd in 1791 geschreven in opdracht van een excentrieke edelman ter nagedachtenis aan zijn jonge bruid. Maar die zomer hield Mozart zich bezig met operaprojecten: de compositie en première van zowel Die Zauberflöte als La clemenza di Tito. Die laatste opera, in slechts 18 dagen geschreven, ging in première in Praag, waar Mozart mogelijk de ziekte opliep die tot zijn dood leidde. Terug in Wenen begon hij aan Requiem, maar orkestreerde hij alleen de eerste pagina’s van de partituur. De vocale delen die het laatste oordeel uitbeelden en het offertorium zijn grotendeels uitgeschreven, maar waren niet georkestreerd toen hij stierf op 5 december. Aan Mozarts assistent, Franz Xaver Süszmayr, viel de taak ten deel het werk te voltooien om de lucratieve opdracht te vervullen. Diens werk is vaak bekritiseerd als ongelijkmatig en technisch onhandig. Hij orkestreerde de secties die Mozart had achtergelaten en componeerde opnieuw de delen ‘Sanctus’, ‘Benedictus’ en ‘Agnus dei’. Er wordt nog steeds gediscussieerd over hoeveel Süszmayr in zijn werk steunde op Mozarts veronderstelde instructies of schetsen, en sinds de jaren 70 is een aantal pogingen ondernomen om zijn versie te verbeteren. Het is niettemin grotendeels aan Süszmayrs arbeid te danken dat Requiem een van Mozarts gerespecteerdste werken blijft.