In een scène uit zijn opera De passagier uit 1967 portretteert Mieczysław Weinberg een gevangene in Auschwitz, die als daad van verzet Bachs ‘Chaconne’ uit Partita nr. 2 in d-mineur voor onbegeleide viool speelt. Het is een overweldigend krachtig moment, waarin cultuur en extreme wreedheid tegenover elkaar staan. Weinberg, wiens ouders onder het naziregime werden vermoord, laat die opstandigheid weerklinken in zijn drie sonates voor onbegeleide viool, gekoppeld aan onstuitbare woede. Sonate nr. 1, opus 82 is een stuk vol compromisloze emotionele kracht, van de explosieve opening en agressieve pizzicato’s tot het gekwelde trage deel, en de razendsnelle finale, ‘Presto’. Sonate nr. 2, opus 95 is net zo uitdagend. De korte, intense passages worden op dit album door Gidon Kremer met een tomeloze energie uitgevoerd. ‘Sonate nr. 3, opus 126’ wisselt tedere familieherinneringen af met ongebreidelde woede. Dit zijn belangrijke werken, die eindelijk de vertolking krijgen die ze verdienen.