Tijdens de turbulente decennia tussen de twee wereldoorlogen wist Parijs zijn status als muzikale hoofdstad van de wereld te behouden. De Franse hoofdstad barstte van de geweldige muziek en fantastische muzikanten. De broers Pasquier (altviolist Jean, violist Pierre en cellist Étienne) verenigden in de roerige jaren twintig hun krachten en waren al snel de inspiratiebron voor een vloedgolf aan nieuwe werken voor strijktrio. Veel van de werken die het eerst werden uitgevoerd door Trio Pasquier, of door hen beroemd werden gemaakt, waren geschreven door componisten die de dominante trends van de klassieke muziek van toen negeerden. Enkelen van hen waren autodidacten, anderen hadden ook een carrière buiten de kunstwereld. Dat kan verklaren waarom een groot deel van hen in de vergetelheid raakte. De bezetting van Frankrijk door nazi’s en het radicalisme van na de Tweede Wereldoorlog speelden daarin ook een rol.
Het berust op stom toeval dat het Black Oak Ensemble uit Chicago op het repertoire van het Trio Pasquier stuitte. Tijdens een tournee in Corsica ontdekten ze een vergeten stuk van Henri Tomasi. Ze doorzochten bibliotheken en archieven in Frankrijk en elders om te speuren naar soortgelijke stukken. Er bleken er zoveel te zijn dat ze dit dubbelalbum konden wijden aan Franse strijktrio’s uit de jaren van voor de Tweede Wereldoorlog. Vandaar de titel Avant l’orage, ‘Voor de storm’. Als ze wilden hadden ze nog twee albums kunnen vullen. “We vonden Tomasi’s Strijktrio in een Parijse bibliotheek, voerden het uit en beseften dat het een geweldig stuk is”, vertelt Black Oak-cellist David Cunliffe aan Apple Music. “We zochten naar andere stukken en troffen prachtige composities aan die vooral voor de broers Pasquiers waren geschreven. Het is interessant dat die trio’s waren geschreven in een korte periode, vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Waren die composities een waarschuwing voor wat zou komen? Waarschijnlijk niet. Maar ik denk dat je daar wel iets van kan terughoren.” Cunliffe en zijn collega’s, altviolist Desirée Ruhstrat en violist Aurélien Fort Pederzoli, speelden de stukken die ze ontdekten en kozen de zeven beste uit om op te nemen. Hun album leidt luisteraars naar een land van verborgen schatten en openbaringen uit de kamermuziek. Lees verder om te ontdekken wat deze stukken volgens Cunliffe zo goed maakt.
Trio à cordes en forme de divertissement (Henri Tomasi)
“Tomasi staat onder koperblazers tegenwoordig vooral bekend om zijn concerten voor trompet, trombone en tuba. Maar tussen de wereldoorlogen in schreef hij prachtige en lyrische kamermuziek. En misschien is er uit die periode geen beter werk dan dit strijktrio uit 1938. Het is amper te geloven dat zo’n geweldig werk nog nooit eerder is opgenomen. Hij grijpt je direct met een fanfare-achtig thema, dat naar de opening van Beethovens Symfonie nr. 5 lijkt te verwijzen. Toen we de eerste vier delen van dit stuk lazen, werden we er verliefd op, met name op de subtiele details in ‘Nocturne’, maar ook op het energieke ‘Scherzo’ en ‘Finale’, dat is gebaseerd op een thema dat lijkt op het populaire Provençaalse volkswijsje ‘Les olivettes’. Tomasi was een goede componist die het verdient om veel bekender te zijn.”
Trio for Violin, Viola & Cello (Jean Cras)
“Hoewel muziek bij zijn opvoeding hoorde, volgde Jean Cras de familietraditie en sloot hij zich aan bij de Franse marine. Hij promoveerde tot schout-bij-nacht en werd onderscheiden voor de moed die hij had getoond tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het is opmerkelijk dat hij de tijd wist te vinden om te componeren! Zijn muziek heeft een buitengewone kwaliteit. Ik vind het van hetzelfde niveau als het werk van Claude Debussy. Het is inventief en kan qua structuur complex zijn, maar het is altijd zo doordacht. Elke noot is belangrijk. Cras nam een paar lessen bij Henri Duparc in Parijs, maar verder was hij een autodidactische componist. Hij nam bij bijna elke reis een kopie mee van Beethovens Strijkkwartet nr. 15 en brengt daar een eerbetoon aan in het deel ‘Lento’ van zijn Trio voor viool, altviool en cello. Dit sublieme langzame deel refereert ook aan volksdeuntjes uit Bretagne, het schiereiland waar hij vandaan kwam. Het werk eindigt met een prachtige jig [een Ierse stepdance].”
Trio for Violin, Viola & Cello (Émile Goué)
“Goué's levensverhaal bleef ons bij nadat we Silenced Voices opnamen, ons debuutalbum met muziek van Joodse componisten die slachtoffers waren van de Holocaust. Goué was een briljante wiskundige en natuurkundige die in 1940 door de Duitsers werd opgepakt en daarna vijf jaar een krijgsgevangene was. Zijn gezondheid werd verwoest en hij overleed een jaar nadat hij terugkeerde naar Frankrijk. Goué componeerde dit vlak voordat hij werd opgeroepen door het leger. We houden allemaal van zijn muziek. Het is een beetje anders dan de andere trio’s. Het laatste deel, dat wel zou passen bij een film van Quentin Tarantino, was erg leuk om te spelen. Er zitten weelderige chromatische harmonieën in het ‘Adagio’. Het is een tikje lichter dan de andere werken op het album, maar ik vind dat Goué de juiste balans trof. Het geluid is vol, er ontbreekt niets, er hoeft niets aan worden toegevoegd.”
Trio à cordes (Jean Françaix)
“Dit is een van de beroemdste 20-eeuwse werken voor strijktrio. Arnold Schönbergs Strijktrio is zeer gerespecteerd, maar dit werk van Françaix wordt vaker uitgevoerd. Het is erg gecompliceerd en extreem snel. Het lastige is om al die kleine details weer te geven. Er zijn zoveel kleine nuances die bijna aan je voorbij gaan als je het stuk voor de eerste keer hoort. Je moet twee of drie keer luisteren om te horen wat er allemaal gebeurt, mede doordat het zo snel gaat! Françaix wist natuurlijk dat de broers Pasquier zijn uitdagingen aankonden. We hadden veel plezier maar ook pijn tijdens het opnemen. Het stuk start als een raket met een compromisloos eerste deel en het daaropvolgende ‘Scherzo’. Maar dan komen een prachtig langzaam deel − vergelijkbaar met het langzame deel in Debussy’s Strijkkwartet, dat aanzwelt vanuit een prachtig en hartverwarmend thema − en het geestige slot ‘Vivo’. Geweldig!”
Trio à cordes (Robert Casadesus)
“Het is voor ons als muzikanten prachtig om muzikale archaeologen te zijn. We graven stukken op die lang verborgen waren. Robert Casadesus was wereldwijd beroemd als pianist, maar weinigen weten dat hij ook componeerde. Hij schreef veel werken tijdens treinreizen tussen optredens door. Ik denk dat je die beweeglijkheid kunt horen in het eerste deel van het strijktrio dat hij schreef voor de broers Pasquier, en ook in de korte scherzando in het midden van het tweede deel, ‘Légende’. Het heeft een mysterieuze, enigszins verontrustende sfeer. Het slot, ‘Allegro aperto’, was een ware beproeving, want het is extreem snel, vaak unisono en in de kille toonsoort B-majeur. We oefenden toonladders als een bezetene! Het is een nachtmerrie voor een violist, maar het was heel bevredigend om het te spelen en op te nemen. Dit is de eerste opname van het werk en ik ben blij dat we het hebben herontdekt.”
Suite en trio for Violin, Viola & Cello (Gustave Samazeuilh)
“Ik nam een paar lessen bij onze Franse violist Aurélien om te leren hoe je de naam Samazeuilh uitspreekt. Ik denk dat zelfs hij het niet zeker wist! Maar we kwamen uit op ‘Sam-uh-zoy’. Hij studeerde onder Vincent d’Indy aan de Schola Cantorum de Paris, was bevriend met Debussy en werd een invloedrijke muziekcriticus. Deze suite, die we voor de eerste keer opnamen, begon als pianowerk geïnspireerd door Franse barokdansen. Deze versie voor strijkinstrumenten wijkt af van het origineel en klinkt alsof ze altijd al bedoeld was voor een strijktrio. De muziek is eenvoudig maar ook heel expressief, bijvoorbeeld in de ‘Française’ en de verleidelijke ‘Sarabande’. Het lieflijke ‘Musette’, dat zo charmant is, is prachtig geschreven voor strijktrio, en het slotdeel ‘Forlane’ is een genot om te spelen.”
3 Pièces en trio (Gabriel Pierné)
“Dit was een van de laatste van de vele composities van Pierné. Hij vergaarde roem als dirigent die Igor Stravinsky’s De Vuurvogel en Debussy’s Images in première bracht. Maar elke zomer vond hij, tussen twee concertseizoenen in, de tijd om te componeren. Hij schreef 3 Pièces voor de broers Pasquier. Pierné gaf Jean, Pierre en Étienne een thema dat correspondeert met het aantal letters in hun namen en dat past bij hun respectievelijke instrumenten in het eerste deel. Het is geen goedkope truc, het werkt heel goed. Het tweede deel, ‘Chanson’, is prachtig, langzaam en woordloos. In het slotdeel, ‘Les trois clercqs de Sainct-Nicholas’, verwijst hij naar een verhaal uit Contes drolatiques van Honoré de Balzac. Dat gaat over drie machtige priesters die de boel oplichten. Het is een liederlijk verhaal en de muziek van Pierné weerspiegelt dat briljant met zijn drie tuimelende individuele stemmen.”