De Franse pianist Bertrand Chamayou stelde zijn ongebruikelijke album Ravel Fragments speciaal samen voor het 150e jubileumjaar van de componist. “Maar eerlijk gezegd”, vertelt hij Apple Music Classical, “mag elk jaar voor mij wel zijn jubileumjaar zijn!”
Chamayou heeft meer van de pianomuziek van Ravel opgenomen dan de meesten, inclusief het uitdagende en minder bekende, 11 minuten durende La Parade dat pas in 2008 werd ontdekt. Dus wat viel er verder nog voor hem op te nemen? Best veel eigenlijk, als je alle concerten, liederen en kamermuziek meetelt waarin piano een rol speelt. Maar, legt Chamayou uit, er was niet genoeg tijd meer voor het jubileumjaar om deze stukken te gaan opnemen met de muzikanten die hij wilde. Dus zat er niets anders op dan een album te maken waarop hijzelf de enige speler was. “En toen besefte ik dat ik nog nooit de pianotranscripties had opgenomen die Ravel had gemaakt van La Valse, en de drie fragmenten van Daphnis et Chloé.”
Vooral La valse intrigeerde Chamayou. De transcriptie die je meestal te horen krijgt is de versie voor twee piano's. Ravels transcriptie voor solopiano wordt veel minder vaak gespeeld, en Chamayou legt uit waarom: “Die voor solopiano is een beetje mysterieus want er staan twee notenbalken in die je kan spelen, die de structuur van het stuk aangeven. Maar Ravel heeft ook wat notenbalken toegevoegd waar een paar belangrijke elementen in staan die in deze opzet niet te spelen zijn. Het lijkt eigenlijk onvoltooid. Dus altijd als solopianisten La valse spelen in de transcriptie van Ravel, moeten ze eerst hun eigen transcriptie maken op basis van zijn bladmuziek.”
Een mogelijke verklaring hiervoor, zegt Chamayou, is dat de solopianoversie bestemd was voor repetities, want La valse was oorspronkelijk gemaakt als een uitgebreid dansscenario dat door de Ballets Russes van Diaghilev zou worden opgevoerd. Dus die extra notenbalken waar Ravel details in schreef, weggelaten in de eerste twee balken, gaven misschien meer context voor de repetities. Al met al bleken alle ingrediënten voor Chamayou aanwezig te zijn om zijn eigen uitvoerbare versie te schrijven. “Het is alsof je in je keuken een eigen gerecht moet samenstellen.”
Chamayou wilde absoluut geen studiofoefjes gebruiken zoals overdubs om zijn verrijkte versie van Ravels transcriptie voor solopiano te kunnen spelen. “Ik besloot een manier te zoeken waarop ik alles zou kunnen spelen. Natuurlijk moet je dan hier en daar wat noten weglaten, en ik voegde er ook een paar toe om de impressie te wekken van details die anders ontbraken. En ik voegde een paar dingen uit de orkestversie toe. Bijvoorbeeld, in het begin is er een chromatisch fluitgeluid dat Ravel niet in de pianoversie verwerkte, maar ik vind het eigenlijk best een belangrijk element. Ik merkte dat je dat met de rechterhand kunt toevoegen terwijl je de twee regels die Ravel schreef met de linkerhand speelt!”
En hoe zit het met de andere stukken op het album? “Ik heb een paar van mijn eigen transcripties geïntroduceerd. De eerste, ‘Trois beaux oiseaux du Paradis’ uit Ravels Trois chansons is iets wat ik vaak voor mezelf heb gespeeld maar nog nooit in een concert.” Twee andere transcripties van Chamayou: ‘Chanson de la mariée’ (uit Ravels arrangement van Griekse liederen) en Pièce en forme de habanera voegen nog eens veel charme toe.
Dan zijn er muzikale hommages aan Ravel van andere componisten. “Ik heb altijd al De la nuit van Sciarrino willen opnemen, waarin fragmenten van Ravels Gaspard de la nuit door elkaar gehutseld zijn als een soort caleidoscoop.” Het resultaat, vol abrupte overgangen en virtuoos gefladder, klinkt opvallend als Ravels eigen verbeelding van motten in Miroirs.
Verder overwoog, en verwierp hij meerdere andere stukken in deze context, bijvoorbeeld ‘À r.’ van Xenakis. Howel dit ook een ode aan de componist is, kwam het toch “te percussief” over, en niet Ravel-achtig genoeg om in het programma te passen. “Ik besloot dat ook de stukken die niet van Ravel waren toch iets van een overeenkomst met Ravel moesten hebben, zodat er door al die stukjes samen een soort portret van Ravel ontstond.”
Ten slotte was het nog uitdokteren hoe de stukken elkaar goed konden opvolgen. Een prachtig voorbeeld hiervan is hoe het duistere, sombere Pour tous ceux qui tombent (Voor allen die gevallen zijn) van de hedendaagse Franse componist Frédéric Durieux de weg vrij maakt voor de duistere, mysterieuze opening van La valse, met tonen in de lagere regionen van de piano.
Dat is misschien het donkerste moment van het album, maar het eindigt met vreugde en licht met het laatste stuk ‘Scène de Daphnis et Chloé’. “Het was altijd mijn bedoeling om de drie stukken uit Daphnis te gebruiken”, zegt Chamayou, “weliswaar verspreid door het album, maar wel in de juiste volgorde. Ook het laatste stuk wilde ik laten volgen door andere stukken, maar op een gegeven moment voelde het logischer om het album met Ravel te laten beginnen, en ook met Ravel te laten eindigen.”