Trompet
Over de trompet
De trompet is een antiek instrument. Primitieve voorlopers van de trompet bestonden al 1500 jaar voor Christus. De mobiliteit en het volume van het instrument maakten het geknipt om over lange afstanden signalen door te geven, bijvoorbeeld tijdens de jacht of een gevecht. Ook vandaag de dag kleven die associaties er nog aan. Het wekt daarom amper verbazing dat een groot deel van het repertoire voor trompet krachtig of triomfantelijk klinkt. In orkestrale muziek zetten componisten de trompet vaak in bij de meest intense en belangrijke momenten van een stuk, waarbij het instrument harder klinkt dan de rest van het orkest. Maar hoe gebruikelijk deze toepassingen ook zijn, een goede componist beseft hoe veelzijdig de trompet kan zijn. Igor Stravinsky begreep in Le sacre du printemps hoeveel spanning een fluisterzachte trompet kan opwekken, en Giuseppe Verdi schreef prachtige gedempte passages voor de trompetten in Requiem. Zoals het geval is bij alle blaasinstrumenten, komt het geluid van een trompet tot stand doordat de bespeler zijn lippen op het mondstuk perst en met de adem in trilling brengt. Het vergt jarenlange training om de juiste lipspanning te bereiken. Met de juiste embouchure kan een trompettist een verbluffend brede reeks noten produceren. De vroege trompet, oftewel de natuurtrompet, had geen ventielen en kon daardoor alleen op die manier verschillende tonen voortbrengen. Luister maar naar de trompetpartijen van Georg Friedrich Händel of Henry Purcell om te horen hoe lenig die vroege trompetten (en musici!) waren. Tegen het einde van de achttiende eeuw werden de ventielen geïntroduceerd waarmee de bespeler de buislengte kan veranderen, waardoor andere toonhoogtes ontstaan. Joseph Haydns Trompetconcert was een van de eerste stukken die werden geschreven om deze nieuwe muzikale tovenarij te demonstreren. Het publiek was verbluft.
