Celloconcert in b‑mineur

B 191, Op.  104

Het Celloconcert van Dvořák geldt als een belangrijke pijler uit het cellorepertoire, een werk dat de heimwee ademt waarmee hij kampte sinds hij uit Bohemen was vertrokken. Hij componeerde het concert in 1894, zijn derde en laatste jaar als directeur van het National Conservatory of Music in New York. Hij haalde zijn inspiratie uit verschillende bronnen, inclusief Celloconcert nr. 2 van Victor Herbert, die Dvořák aanwijzingen gaf hoe je een mooie balans krijgt tussen de solo cellist en het orkest. Dvořák anticipeerde op een definitieve terugkeer naar zijn thuisland, te horen in de Tsjechische volksmuziek in vooral de finale. Maar er zijn ook tranen. Zo is het eerste deel een somber stuk gewijd aan zijn zieke schoonzus Josefina Kaunitzová. Daarin citeert hij uit zijn eigen nummer 'Lasst mich allein', een favoriet van Josefina. Tijdens het schrijven van de uitgelaten finale overleed ze, waarop hij er nog een beschouwend coda aan toevoegde als herdenking. “De finale sluit geleidelijk diminuendo, als een zucht”, schreef hij, “daarna zwelt ze opnieuw aan en pikt het orkest de laatste maten op om stormachtig af te sluiten.” Toen de Britse cellist Leo Stern in 1896 de première speelde in Londen onder leiding van de componist, was het een direct succes.

Gerelateerde muziekstukken