Vioolconcert in b‑mineur

Op. 61

Elgars Vioolconcert werd gecomponeerd in 1909-1910, na het succes van zijn Symfonie nr. 1. Al voordat hij die symfonie had voltooid, in 1905, riep violist Fritz Kreisler de Engelsman uit tot "de beste nog levende componist". Ook verzuchtte Kreisler dat hij de wens had dat Elgar "iets voor de viool zou schrijven". Het lijdt geen twijfel dat het succes van Symfonie nr. 1 Elgar de moed gaf een concert te schrijven waarin hij brak met de conventies, en waarmee hij uiting gaf aan zijn intiemste gevoelens. Het aan Kreisler opgedragen werk is voorzien van het opschrift 'Aquí está encerrada el alma de…' ('Hierin is de ziel ingesloten van…'). De vraag is wiens ziel wordt herdacht in het concert. Uit de vaak tedere en vertrouwelijke toon kan blijken dat het gaat om een vrouw van wie Elgar hield − en dat was niet noodzakelijk zijn echtgenote. Zonder enige vorm van inleiding introduceert het orkest direct het primaire thema, en na een lange orkestrale passage presenteert de solist het schijnbare slot. Maar het concert gaat door met het tweede deel, 'Andante', waarin de toon gemeenzaam en teder wordt. Het slot begint met een onbestendige sfeer, die doet denken aan een ander groots laatromantisch werk dat is geschreven als eerbetoon aan een geliefde muze: Dvořáks Celloconcert. Elgars slot bevat, net als dat van Dvořák, verwijzingen naar de voorafgaande delen. Richting het einde speelt de solist een muzikale monoloog, lichtjes begeleid door het orkest.