
- KEUZE VAN DE REDACTIE
- 2017 · 6 tracks · 1 u.
Octet in F‑majeur
D 803, Op. posth166
Schuberts Oktet in F-groot is een van de zonnigste en onbezorgdste werken uit zijn volwassen periode. Dit gemoedelijke maar grote werk, gecomponeerd in de lente van 1824 en met een duur van ongeveer een uur, staat in schril contrast tot de angst en tragedie van de twee strijkkwartetten die hij ondertussen componeerde; Strijkkwartet nr. 13 en Strijkkwartet nr. 14 (Der Tod und das Mädchen). Hij maakte het octet in opdracht voor een koninklijke bediende en amateurklarinettist. Die zocht een stuk voor naast Beethovens septet, dat de zesdelige indeling van dat werk volgde en een tweede viool toevoegde aan de bezetting van klarinet, hoorn, fagot, strijkers en contrabas. De klarinet en viool delen een groot deel van het melodische materiaal in het kwetterende ‘Allegro’ en het elegante, lyrische ‘Adagio’. Twee dansante delen − een onnavolgbaar Weens ‘Scherzo’ en een statiger ‘Menuetto’ − flankeren variaties op een liefdesduet, geleend uit een van Schuberts mislukte opera’s, Die Freunde von Salamanka (1815). De dramatische introductie van het slotdeel, dat hint naar het trio in het deel ‘Presto’ uit Beethovens Symfonie nr. 7, laat zijn dreigende aanwezigheid nog eenmaal kort voelen. Dat intro onderbreekt het veerkrachtige ‘Allegro’, terwijl het naar een uitbundig slot toewerkt.