Pianokwintet in A‑majeur

D 667, Op.  posth114, Op.  114 · “Forellenkwintet”

Vergeleken met de tragische kamerwerken uit Schuberts laatste jaren is Forellenkwintet een lichter en luchtiger stuk. Het ontstond dan ook in een zorgelozere periode in het leven van de componist. Tijdens een wandelreis in Opper-Oostenrijk in de zomer van 1819 was hij te gast bij de amateurcellist Sylvester Paumgartner. Die had Schubert verzocht om een kwintet te componeren en gaf duidelijke instructies mee: het moest geschreven zijn voor piano en vier strijkinstrumenten, waaronder contrabas. Ook moest het variaties bevatten op Schuberts lied ‘Die Forelle’ uit 1817. Zo ontstond dit levendige kwintet, dat door de vloeiende melodie en ongedwongen interactie tussen de instrumenten blijvende populariteit geniet. Door de opdeling in vijf delen heeft het werk het karakter van een divertimento. Het begin met het levendige en ruimtelijke ‘Allegro vivace’, dat wordt gelanceerd door een fonkelende versiering op piano en een mysterieus strijkerskoraal dat zich ontwikkelt tot het primaire thema. De melodie van het langzame deel is geïnspireerd door zanglijnen, wat onderstreept dat Schubert de belangrijkste componist van liederen van die tijd was. Het derde deel ‘Scherzo: Presto’ bezit een onweerstaanbare energie, terwijl in het vierde deel Schuberts zorgeloze lied aan allerlei variaties wordt onderworpen. De melodie wordt afwisselend door alle instrumenten gedragen, met aldoor contrasterende begeleidingen. In het slot, waarin invloeden van Hongaarse muziek doorklinken, keert de weidse en ontspannen stijl terug dat als constante geldt in dit lieflijke kamerwerk.

Gerelateerde muziekstukken