Pianotrio nr. 2 in Es‑majeur

D 929, Op.  100

Schuberts twee pianotrio’s werden tegen het einde van 1827 geschreven, toen de componist 30 jaar was. Een jaar later overleed hij. Zoals vaker het geval is bij zulke tweelingwerken, presenteren ze twee kanten van de medaille. Pianotrio nr. 1 is extravert en goedmoedig, terwijl Pianotrio nr. 2 serieuzer en dramatischer is. De opening van laatstgenoemde zet de toon: het is een indringende, eenstemmige passage die de opmaat vormt tot de symfonische grandeur van het ‘Allegro’. Het langzame pianowerk in het deel ‘Andante’ doet denken aan het vertrek van de reiziger in Winterreise, dat Schubert eerder in 1827 componeerde. De piano begeleidt de melodie in het ‘Andante’, dat is gebaseerd op een Zweeds folkloristisch lied. De melodie, eerst gespeeld op een viool, wordt onderbroken door enkele gepassioneerde climaxen. Het slot opent op kalme wijze, waarbij het thema lijkt op een rondo en wordt afgewisseld met passages die tegen marsmuziek aanschurken. De uit herhaalde noten bestaande melodie wordt beurtelings door de drie instrumenten vertolkt, verwijzend naar het Zweedse lied uit het langzame deel. Na de première van het werk haalde Schubert bijna 100 maten weg uit het ambitieuze slot, om het zo behapbaarder te maken. Op sommige opnames wordt de langere versie gespeeld, waardoor een prikkelende passage is te horen waarin de marsmuziek tegelijk met het Zweedse lied wordt gespeeld.

Gerelateerde muziekstukken