Die Winterreise

D 911, Op.  89 · “Winterreis”

In zijn latere jaren richtte Schubert zich meer op kamer- en pianomuziek. Maar de liederencyclus Winterreise combineert zijn natuurlijke gevoel voor liederen met een verzekerde beheersing van grootschalige formele structuren. De teksten zijn gedichten van Wilhelm Müller (1794-1827). Schubert schreef de eerste 12 liederen in februari 1827, en in oktober volgden er nog 12. De sombere en introspectieve kwaliteit wordt vaak toegeschreven aan de syfilis waaraan hij iets meer dan een jaar later overleed. Maar existentiële kwesties waren al langer een kenmerk van zijn liederen. Het verhalende verloop van Müllers gedichten inspireerde hem tot een continue reeks van 70 minuten, verenigd door subtiele tonale relaties tussen de liederen. Hun onderliggende verbinding is die van de reis van de verteller. Van de opening ‘Gute Nacht’, waar een plotseling verlies van liefde de aanleiding voor de reis vormt, tot het twaalfde lied ‘Einsamkeit’, waarin het omringende leven dit isolement verder intensiveert. Dan volgt het dertiende, ‘Die Post’, met de valse hoop van de geliefde, tot het 24e, ‘Der Leiermann’ (‘De dreilierman’), wiens spel in het aangezicht van totale onverschilligheid de verteller ogenschijnlijk op één lijn brengt met de componist. De liederencyclus, die eind 1827 in première werd gebracht door bariton Johann Michael Vogl, werd het jaar daarop gepubliceerd. Schuberts correctie van de drukproeven van de tweede helft vormde zijn laatste creatieve taak voordat hij overleed.

Gerelateerde muziekstukken