24 Préludes
In de 19e eeuw improviseerden pianisten vaak korte inleidingen voor langere stukken. Die praktijk bracht veel componisten − onder wie Hummel (1814), Cramer (1818), Kalkbrenner en Moscheles (beiden 1827) − ertoe om cycli van 24 korte preludes te schrijven in elk van de mineur- en majeurtoonsoorten. Chopin breidde de reikwijdte van zijn eigen cyclus uit om verder te gaan dan inleidende oefeningen, leidend tot karaktervolle stukken vol vindingrijkheid en eigenzinnigheid. Chopins Preludes worden geassocieerd met zijn noodlottige winterverblijf op Mallorca met zijn geliefde, George Sand (pseudoniem van Amantine Lucile Aurore Dupin de Francueil), in 1838-39. Hoewel alle stukken op vier na al voor deze reis al in de steigers stonden, rondde Chopin de verzameling daar af te midden van vreselijke omstandigheden, slecht weer en een verslechterende gezondheid. Enkele van de preludes − zoals de walsachtige Prelude nr. 7 en Prelude nr. 10 − werken het best binnen de context van de volledige cyclus, terwijl andere − zoals de beroemde Prelude nr. 15 (‘Regendruppelprelude’) en de nocturne-achtige Prelude nr. 13 − volledig op zichzelf kunnen staan. Hoewel een paar stukken technisch veeleisend zijn, vooral Prelude nr. 16, hoeven amateurs de preludes niet te vrezen. Die worden dan ook vaak op zichzelf gespeeld, zoals de langzame en expressieve preludes Prelude nr. 4, Prelude nr. 6 en Prelude nr. 20 .
