Ballade nr. 1 in g‑mineur
De minimale melodie van Ballade nr. 1 van Chopin ontvouwt zich voorzichtig: pas na twee volle minuten komen de virtuoze noten tevoorschijn waar het pianowerk van de Poolse componist bekend om staat. Chopin componeerde het werk in 1831, maar bleef het tot 1835 aanpassen. Het is de eerste in een serie van vier werken die zijn talent als grootheid op de piano onderstreepten. De dramatische verschuivingen in de textuur waren ongebruikelijk in de vroege 19e eeuw en klinken ook voor moderne luisteraars verfrissend. Het voornaamste muzikale idee komt meerdere malen terug in het compacte stuk, zoals in de walsachtige variaties en razende melodieën. Voor de structuur voegt Chopin een duizelingwekkend coda toe, die amper lijkt op het hoofddeel. Dramatische toonladders − ook enkele in unisono (waarbij de linker- en rechterhand dezelfde noten spelen op verschillende octaven) − zorgen voor een duizelingwekkend effect. Over Chopins Ballades Chopin componeerde tussen 1831 en 1842 vier ballades. Ze waren baanbrekend vanwege de vrije vormstructuren. De vier stukken voor solopiano worden los van elkaar gespeeld, maar staan met elkaar in verbinding dankzij Chopins gebruik van contrasterende muzikale ideeën. De componist was liefhebber van het nieuwe instrument en demonstreert de poëtische sound ervan in zijn composities. De fijne melodieën en gelaagde texturen tekenen de ballades, maar de Pool was ook heel innovatief met acrobatiek op de toetsen, krachtige bassen en harmonische verrassingen.
