12 Études
Chopin componeerde de 12 stukken van Etudes, opus 10 vermoedelijk tussen 1829 en 1832, en het werk werd gepubliceerd in 1833. Het bleek een soort doorbraak voor de Poolse componist, een brug tussen jeugdige onstuimigheid en stilistische volwassenheid. De stukken bevatten een schat aan muzikale en technische vindingrijkheid. Ook nu nog worden ze gebruikt als oefenstof voor pianostudenten, en behoren ze tot het vaste concertrepertoire voor piano. In de vroege 19e eeuw beschikten steeds meer huishoudens over een piano, waardoor ook thuis muziek kon worden gemaakt. De markt voor boeken met oefenstof kreeg daardoor een impuls, al waren vele daarvan muzikaal gezien minder waardevol. Chopin stelde de technische vereisten van zijn stukken in dienst van de muzikale diepgang, waarbij hij gebruik maakte van de modellen van onder meer Clementi, Cramer en vooral Moscheles. Zo veredelde hij wat anders een puur pedagogisch genre zou blijven tot concertmuziek, die zowel thuis als publiek uitgevoerd kan worden. Het grootste deel van de stukken verkent specifieke technische kwesties voor de rechterhand. De linkerhand verschaft melodische en harmonieuze ondersteuning. In het slotstuk, ‘Etude op. 10, nr. 12’ (bijnaam ‘Revolutie’) is dat omgekeerd. Het tempo ligt in regel hoog, met uitzondering van de lyrische derde en zesde etudes. Soms lijkt Chopin te verwijzen naar de klavierwerken van Bach. ‘Etude op. 10, nr. 1’ heeft bijvoorbeeld raakvlakken met het openingsdeel van Bachs Das wohltemperierte Klavier.
