Requiem in d‑mineur

Op. 48

Vrijwel zeker componeerde Fauré zijn Requiem voor een herdenkingsdienst in januari 1888 in de Parijse kerk La Madeleine. De originele versie bestond uit vijf secties uit de Latijnse mis voor overledenen, inclusief een subliem arrangement van ‘Pie Jesu’ voor onbegeleide sopraan en orgel, en het voortreffelijke ‘In Paradisum’, dat behoort tot de prachtigste laat 19e-eeuwse sacrale composities. Fauré schreef zijn ‘kleine requiem’, zoals hij het noemde, voor een opmerkelijk effectieve bezetting: altviolen, cello’s, contrabassen, orgel, harp en pauken. In het deel ‘Sanctus’ is er een solo voor viool. Bij de tweede opvoering in La Madeleine, in mei 1888, introduceerde hij twee trompetten en twee hoorns. Het werk werd toen uitgebreid met ‘Hostias’ en ‘Libera Me’ voor onbegeleide bariton. Ook werden de meditatieve koordelen aan het begin en eind van ‘Offertorium’ toegevoegd. Het doel van Fauré met Requiem was, zoals hij het omschreef, “om iets anders te doen”. Dat deed hij door geen ‘Dies Irae’ in te voegen, een misgezang met een nadruk op het hellevuur en verdoemenis. Daardoor ontstond een werk dat door een criticus, en tot genoegen van Fauré, werd omschreven als “een wiegelied van de dood”. De zachtmoedige lyriek van de muziek voert luisteraars mee met het verhaal, terwijl regelmatig uitbarstingen van emotie worden onderstreept. Bijvoorbeeld als het koor ‘hosanna’ roept, of in het gepassioneerde centrale deel van ‘Agnus Dei’. Zijn uitgever verzocht Fauré met klem om de orkestratie van het werk uit te breiden en hij gaf toe aan die druk. De symfonische versie, die in première ging bij de Wereldtentoonstelling van 1900 te Parijs, werd wereldwijd populair. De verfijndere en intiemere voorgangers raakten later ook bekend. John Rutter verzorgde in de vroege jaren 1980 een publicatie daarvan, en sindsdien zijn er nieuwe uitgaven van het werk voor kleinere bezettingen verschenen.

Gerelateerde muziekstukken