Alisa Weilerstein geeft blijk van een prachtig gevoel voor deze diep romantische cellosonates. Haar rijke toon en subtiel gebruik van portamento's (een toon zonder onderbreking naar de volgende laten glijden) versterken deze diep expressieve uitvoeringen, waarbij haar cello soms een bijna tastbare wanhoop uitdrukt.
Het eerste deel van Brahms' Cellosonate nr. 1 in e mineur, gecomponeerd in 1862, is zeker treurig, hoewel het af en toe door tranen heen lijkt te glimlachen. Dit wordt goed gearticuleerd door Weilersteins warme zangtoon en mooi ondersteund door haar vaste en uitstekende pianopartner Inon Barnatan. In deze werken geeft Barnatan echter terecht volop de ruimte aan de cello, die de belangrijkste emotionele last van Brahms' muziek draagt.
De sfeer wordt lichter in de volgende twee delen: het tweede deel, het 'allegretto' – in een dansend menuet en trio – en de levendige en vrolijke finale 'allegro'. Tussen de twee cellosonates in voeren Weilerstein en Barnatan Brahms' warme Vioolsonate nr. 1 uit – niet in de gebruikelijke D-majeur transcriptie voor cello maar in de oorspronkelijke toonsoort G-groot. Hierdoor kan Weilerstein het diepe baritonregister van haar instrument inzetten op een manier die volkomen natuurlijk klinkt.
Ten slotte is er Brahms' gedurfde en extraverte Cellosonate nr. 2 uit 1886. Hoewel relatief zonnig, brengt het tweede deel 'adagio affettuoso' een plotselinge verandering van stemming en sfeer teweeg: het ene moment zacht en sprookjesachtig, dan treurig, dan stoïcijns. Weilerstein en Barnatan leiden ons vakkundig en naadloos door de gecompliceerde emoties van dit werk.