“Al voor mijn tienerjaren had ik de muziek van Ravel gehoord”, vertelt Seong-Jin Cho aan Apple Music Classical. “Het eerste stuk van Ravel dat ik speelde was ‘Alborada del Gracioso’ (van Miroirs). Dat was op verzoek van mijn docent, toen ik elf of twaalf jaar oud was. Daarvoor bestond mijn repertoire vooral uit muziek uit de periode van het classicisme of de romantiek. Ravel opende een nieuwe wereld voor me. De manier van componeren en de muzikale taal waren helemaal anders dan die van Beethoven of Chopin.”
“Het was ook het meest technisch uitdagende stuk dat ik ooit had uitgevoerd. Daardoor heb ik sterke herinneringen aan de muziek. Sinds dat moment heb ik veel Franse muziek geleerd, waaronder die van Debussy en Ravel, aangezien ik vanaf 2012 studeerde in Parijs.”
Tijdens zijn studie in de Franse hoofdstad raakte hij verknocht aan een bepaald werk van Ravel. “In het begin had ik het niet makkelijk in Parijs”, herinnert Cho zich. “Voor het eerst leefde ik in het buitenland. In die tijd leerde ik Valses nobles et sentimentales. Zodra ik dat stuk speel, komen mijn herinneringen aan Parijs naar boven. Het heeft een nostalgische lading voor mij.”
De bitterzoete klank van die walsen past wonderwel bij zulke herinneringen. De afsluitende wals van de suite doet denken aan de eerdere walsen, maar dan in een dromerige versie. Dat stuk etaleert ook een kenmerk van Ravel dat aansluit bij het werk van Mozart. “Net als Mozart deed, bewees Ravel dat muziek in majeurtoonsoort toch zeer verdrietig kan klinken. Dat laatste stuk is een herinnering aan het verleden. Het is in majeurtoonsoort, maar toch klinkt het niet zo blij.”
Wat heeft Cho in Parijs geleerd over Ravel? “Toen ik op mijn vijftiende of zestiende in Zuid-Korea was, dacht ik dat Ravels muziek heel vrij en virtuoos was. Maar nadat ik in Parijs had gestudeerd, besefte ik dat Ravel vrij strikt was in zijn wijze van componeren. Ik las dat hij er niet van hield als de pianist te vrij speelde en zijn notities of het tempo negeerde. Je moet zeer gedisciplineerd zijn als je zijn muziek speelt.”
Toch zijn de vertolkingen van Cho verfrissend en verre van voorspelbaar. De fonkelende opening van ‘Ondine’ uit Gaspard de la nuit is niet in een impressionistische waas uitgevoerd. In plaats daarvan voert hij de afwisseling van herhaalde akkoorden en noten zowel exact als beeldend uit. En het directere Sonatine speelt hij niet als een neo-klassiek werk, zoals zoveel andere pianisten doen, maar met een sensualiteit die doet denken aan eerdere meesterwerken van Debussy, zoals Prélude à l’après-midi d’un faune of het orkestrale Nocturnes. Het blijkt dat Cho het niet met opzet zo deed. “Ik weet niet wat de gebruikelijke aanpak is van deze muziek”, vertelt Cho over Sonatine. “Uiteraard hadden Debussy en Ravel invloed op elkaar. En alhoewel ze verschillen in de wijze waarop ze componeerden, zijn het beide impressionistische componisten. Maar ik zou zeggen dat Ravels Sonatine een zeer neo-klassieke structuur heeft. Het eerste, tweede en derde deel hebben de vorm van een perfecte sonate.”
“Uiteraard biedt Ravel zoveel verbeelding en ideeën in zijn muziek. Maar die ideeën zijn helderder dan in de muziek van Debussy. Ik zie Ravel als een grotere perfectionist als het aankomt op componeren. Er staan zoveel opmerkingen in zijn partituren. Zijn notaties over tempo zijn bijvoorbeeld helderder dan bij Debussy. En de fraseringen en markeringen zijn exacter.”
Cho’s album presenteert Ravels muziek voor onbegeleide piano in chronologische volgorde. Dat is een opvallend ongebruikelijke ordening voor dergelijke verzamelingen. Je zou verwachten dat je daardoor een soort stilistische ontwikkeling hoort, van het eerste stuk (Sérénade grotesque uit 1893) tot het slotstuk (Tombeau de Couperin uit 1917). Cho legt uit dat het niet zo simpel is. “Sérénade grotesque en Tombeau de Couperin zijn uiteenlopende soorten muziek. Ravel lijkt wat dat betreft bijvoorbeeld niet op Scriabin. Het vroege werk van Scriabin was beïnvloed door Chopin. Zijn latere werken klinken alsof ze zijn geschreven door een heel andere componist. Ravels verbeeldingskracht, persoonlijkheid en stijl zaten altijd al in zijn muziek, vanaf de eerste gepubliceerde stukken. Toch ontwikkelde hij zich. Als je luistert naar Pavane pour une infante défunte, dan hoor je dat Ravel het heeft geschreven. Maar je kan ook duidelijk horen dat het is geschreven door een jongere componist dan toen hij Tombeau de Couperin of Valses nobles et sentimentales schreef.”
Ravel kristalliseerde zijn onderscheidende stijl al snel uit, waarna die tijdens zijn gehele carrière min of meer herkenbaar bleef. Dat was zelfs zo als hij geen geheim maakte van welke componisten hem inspireerden, zoals Schubert bij Valses nobles et sentimentales, terwijl de Franse barokcomponist Couperin zelfs bij naam werd genoemd in Tombeau de Couperin. “Maar Ravel vormde die elementen om tot zijn eigen onderscheidende meesterwerken”, stelt Cho. “Die zijn gecomponeerd in zijn eigen muzikale taal. Die taal was ongelooflijk. Bij het luisteren naar Valses nobles et sentimentales denk je niet meteen: oh, dit is beïnvloed door Schubert. Maar als je nauwgezet de partituur bekijkt, dan kun je elementen of ideeën vinden die suggereren dat ze zijn geïnspireerd door Liszt of Schubert. Maar het klinkt altijd als Ravel.”