Net als zijn latere kwartetten, voeren Beethovens vijf laatste pianosonates de vorm naar nieuw terrein. Pianosonate nr. 28 in A-majeur is het meest conventioneel, maar je kunt de expressieve ambities al voelen voor de stormloop van het machtige “Hammerklavier” (Nr. 29) die Igor Levit, tijdens het maken van de opname pas midden in de twintig, met verbluffende onverschrokkenheid trotseert. Op de drie laatste sonates was Beethoven aan het verfijnen en indikken, voordat hij de essentie van zijn boodschap aanbood in lange, krachtige slotdelen. In de laatste − Pianosonate nr. 32 in de voor hem bijzondere toonsoort c-mineur − heeft hij de vorm tot twee delen gereduceerd en verkent hij een ritmische taal die een voorbode lijkt te zijn voor jazz. Dit is sublieme muziek en een sublieme vertolking.