Hoorn

Over de hoorn

De hoorn werd in de middeleeuwen gebruikt bij de jacht en op het slagveld. De vorm maakt het instrument daar zo geschikt voor: de buis is deels cilindervormig en kan daardoor eenvoudig door een ruiter te paard worden meegenomen. De basisprincipes zijn verder hetzelfde als bij andere blaasinstrumenten: er is een mondstuk waardoor lucht in de buis (die ruim 4 meter lang kan zijn) wordt geblazen. De lucht trilt op diverse frequenties en daardoor ontstaan geluiden, die zowel prikkelend wild als prachtig zacht kunnen zijn. In de loop der tijd werd de hoorn aldoor vernieuwd. Zo kwam er een stembuis en in de 19e eeuw werden er ventielen voor de hoorn ontwikkeld. Al die innovaties versterkten de unieke klank van de hoorn, zonder het ongetemde karakter te verloochenen. Nog steeds is de hoorn een van de lastigste instrumenten om te bespelen. In de barokperiode speelden componisten in op de koninklijke associaties, terwijl Mozart van de hoorn hield om er emoties mee op te roepen. Romantische componisten zoals Wagner en Strauss gebruikten de hoorn om op bloedstollende wijze heroïsche taferelen te schetsen, of schreven romantische passages voor de zachtaardige, zangerige toon. Een moderne blazerssectie bevat in regel twee tot acht hoorns. Die kunnen het verschil maken als een orkest streeft naar een eigen geluid.