Études d'exécution transcendante

S. 139 · “De Transcendentale Etudes”

Het kostte Liszt vele jaren voordat hij definitief vorm gaf aan zijn twaalf Études d'Exécution Transcendante in 1851. De componist schreef als virtuoze tiener de eerste versie, Étude en douze exercices, een technisch redelijk eenvoudige reeks van twaalf studies in verschillende toonsoorten. Elf jaar later, in 1837, was Liszt uitgegroeid tot een van de briljantste pianisten en componisten van zijn tijd en zette die set toen opnieuw in de verf als Douze Grandes Etudes. Daarin verwerkte hij het originele materiaal tot technisch bijzonder uitdagende stukken, om die later nog eens opnieuw te bewerken tot Études d'Exécution Transcendante. In die uiteindelijke versie schroeft hij de technische complexiteit een stukje terug en gaf hij elk deel een poëtische titel. In de set put hij uit enkele van zijn favoriete inspiratiebronnen. ‘Étude nr. 4’ (‘Mazeppa') is daar een bekend voorbeeld van, gebaseerd op een gedicht van Victor Hugo over een gevangengenomen Kozak die naakt werd vastgebonden aan een wild paard, dat vervolgens wordt vrijgelaten om over de vlakte te galopperen. Andere markante stukken zijn het bijzonder complexe ‘Étude nr. 5’ ('Feux Follets’), het tumultueuze ‘Étude nr. 8’ (‘Wilde Jagd’) en het sfeervolle ‘Étude nr. 12’ (‘Chrasse-neige’).

Gerelateerde muziekstukken