Strijkkwintet in C‑majeur

D 956, Op.  posth163, Op.  163

Het laatste jaar van Schuberts tragisch korte leven was ook een van zijn productiefste. Hij schreef daarin werken voor kamerensemble en piano, en ook liederen met een adembenemende originaliteit en kwaliteit. Wellicht het beste stuk is Strijkkwintet, zijn laatste kamerwerk. Hij rondde het af in september 1828, slechts twee maanden voordat hij overleed op 31-jarige leeftijd. Schubert koos voor twee cello’s, wat niet strookt met de reguliere bezetting van een strijkkwintet. Dat ging ten koste van een altviool, waarvoor Mozart een voorkeur had. Die keus zorgt voor extra diepte in het palet aan klankkleuren, en verbreedt de reeks mogelijke instrumentale combinaties. Het stuk opent met een peinzende en langzame inleiding, maar die blijkt op wonderbaarlijke wijze de basis te zijn van het omvangrijke openingsdeel ‘Allegro ma non troppo’. Dat zit vol magische momenten: zo komt de partituur helemaal tot leven bij het tweede thema. Dan haken de cello’s aan bij een wonderschoon duet tussen een geplukte baslijn op altviool en commentaar op viool. Geen andere componist had zoiets kunnen schrijven. De verrukking zet zich voort in de extatische stilstand van het tweede deel, ‘Adagio’. De stilstand wordt onderbroken door de onrustige stuiptrekking in het midden, maar komt daarna wederom tot stand. Die uitbarsting was wellicht een uitdrukking van Schuberts woede over de aandoening waarvan hij wist dat die zijn leven zou afbreken. In het ‘Scherzo’ weerklinkt een vastberaden opgewektheid, terwijl het slotdeel flirt met duisterdere emoties. Met alsmaar hysterischere slotmaten wordt het werk resoluut in het slot gegooid.

Gerelateerde muziekstukken