Pianosonate nr. 21 in Bes‑majeur
Toen Franz Schubert begon te werken aan zijn laatste drie pianosonates (nr. 19-21) in de lente van 1828, leek zijn leven weer een beetje op de rit te komen. Een concert met zijn werk werd in Wenen was zo succesvol dat hij zijn schulden kon afbetalen en een nieuwe piano kon kopen. Maar de opleving kwam helaas te laat en hij overleed datzelfde jaar nog. De tijdloze frases uit zijn Pianosonate nr. 21 in Bes majeur, zijn laatste sonate, wordt gekenmerkt door een bitterzoete vreugde, opmerkelijk voor een stervende man van 31 jaar oud. Maar bij vlagen zijn er ook verontrustende ondertonen te horen. Zoals in het serene thema in de opening, dat twee keer kort wordt onderbroken door onheilspellende momenten. In de ABA-vorm ‘Andante sostenuto’ wordt subtiele wanhoop afgewisseld met dromerige meditatie. Dan schetsen de vingervlugge, springerige gebaren van het ‘Scherzo’ een zorgeloze wereld, die lichtjaren weg ligt van al het andere in de sonate. De harmonische opening van de finale keert terug op verschillende punten, om zo het gevoel te geven dat je een muzikale teug adem haalt voordat de muziek teruggaat naar zijn subtiele verloop. De laatste coda brengt een onverwacht zelfvertrouwen, alsof Schubert zijn lot met nieuw optimisme tegemoet gaat.
