Strijkkwartet nr. 14 in d‑mineur
Schubert leed aan syfilis toen hij Strijkkwartet nr. 14r componeerde in maart 1824. Hij wist dat hij ongeneeslijk ziek was. Een gevoel van gekwelde en meedogenloze tragedie domineert het kwartet, dat als ondertitel ‘Der Tod und das Mädchen’ (‘De dood en het meisje’) heeft. Het hart van dit meesterwerk van de kamermuziek is het tweede deel, ‘Andante con moto’. Dit is een reeks van vijf variaties, gebaseerd op een thema uit Schuberts lied ‘Der Tod und das Mädchen’. Het is gecomponeerd in 1817. Schuberts decor is een dialoog tussen een meisje dat smeekt om haar leven, en de dood, die haar verzekert dat hij een troostende vriend is in wiens armen ze spoedig zal rusten. De onverbiddelijke houding van de dood wordt uitgedrukt door een langzaam, droog en hymnisch thema, begeleid door donkere mineur akkoorden. Dat wordt meesterlijk uitgewerkt en uitgebreid in de variaties die volgen. De andere drie delen − ‘Allegro’, een kort ‘Scherzo’ en afsluiter ‘Presto’ − zijn allemaal snel, turbulent en gedomineerd door de toonsoort d-mineur. Het slot is gemodelleerd naar de Zuid-Italiaanse volksdans tarantella. Dit kwam voort uit het idee dat iemand die was gebeten door de giftige tarantulaspin als gevolg van het gif zou dansen in een razernij van delirium. In Schuberts vroeg-romantische tijdperk was de tarantella het symbool geworden van een wervelende dans des doods.
