Deze prachtige liederen door componisten uit het huidige Tsjechië beslaan de jaren 1876 tot 1943, van het staartje van de hoogromantiek tot een verontrustend, haast desoriënterend expressionisme. In deze live-opname combineert mezzosopraan Magdalena Kožená kristalheldere dictie met emotionele diepgang, terwijl het Tsjechisch Filharmonisch Orkest onder leiding van Simon Rattle elk detail van deze mooie, vaak subtiele partituren onweerstaanbaar tot leven brengt.
We beginnen bij Bohuslav Martinů. Met meer dan een knipoog naar Debussy en Ravel (ook geïnspireerd door het Verre Oosten), zet Martinů korte Japanse gedichten op muziek voor zijn liederencyclus Nipponari (1912). Met modale harmonieën, houtblazers en harp roept hij het gevoel op van traditionele Japanse muziek en van Japan zelf, een land dat het 20e-eeuwse Europese publiek zag als exotisch en mysterieus.
Pisnicky na jednu stránku ('Liederen op één pagina) bestaat uit een serie korte liederen, daterend uit de tijd van Martinů’s gedwongen ballingschap in de VS tijdens WO II. Elke kleine compositie is als een ansichtkaart voor thuis, variërend in emotie van geestig (‘Otevření slovečkem’) tot gepassioneerd (‘Cesta k mile’) en vreugdevol (‘Chodníček’).
Na Martinů duiken we in de rijke romantiek van Dvořák, met door volksmuziek geïnspireerde werken die barsten van de nostalgie, en die orkestraal gezien veel gemeen hebben met de laatste drie symfonieën van de componist.
De resterende twee componisten op dit veelzijdige album waren allebei gevangenen in het concentratiekamp Theresienstadt, waar de nazi’s kunst gebruikten als propaganda om de buitenwereld om de tuin te leiden. Hans Krása, die in 1942 naar Theresienstadt werd gedeporteerd, componeerde 4 Orchestlieder in 1920. Het werk is afwisselend etherisch, treurig en zelfs gepijnigd.
Gideon Klein componeerde Wiegenlied in 1943 in Theresienstadt zelf. Het is een kort en ontroerend werk van grote schoonheid. Klein zou slechts twee jaar later sterven in Auschwitz.