Amihai Grosz, eerste altviolist bij Berliner Philharmoniker, krijgt wat welverdiende aandacht met twee uitmuntende, expressieve concerten uit de 20e eeuw.
Engelsman William Walton componeerde Viola Concerto in 1929, terwijl hij verstrikt was in liefdeszaken. Walton paste de orkestratie in 1962 aan om die helderder te maken. Simon Rattle, die bekendstaat om zijn empathie voor Waltons kleurrijke, jazz-achtige stijl, is de gedroomde dirigent.
Grosz graaft diep bij het openingsdeel, ‘Andante comodo’. Hij vergroot de impact van de korte melancholische cadens tegen het eind van dit deel door momenten van zoete lyriek te benadrukken.
In het virtuoze tweede deel, ‘Vivo, con molto preciso’, vult Grosz de lenige uitvoering van het orkest aan met keurig, precies spel. En tijdens de laatste orkestrale climax van het concert laten Rattle en de spelers meer dan gewoonlijk horen van de zielensmart die diep in de muziek zit. Zo valt het bitterzoete slot mooi op zijn plaats.
Rhapsody-Concerto, dat de Tsjechische componist Bohuslav Jan Martinů in 1952 tijdens zijn ballingschap componeerde in New York, is vergelijkbaar weemoedig. Met Matthias Pintscher als dirigent, vangt het orkest de verontrustende ondertonen van dit overwegend idyllische werk. Grosz speelt met veel empathie. De folk-achtige melodie van het tweede deel (dat Martinů’s verre thuisland symboliseert) speelt hij met ontroerende eenvoud.