Hier is een kans om het ongelofelijk veelzijdige kleurenspectrum te ervaren dat de Wiener Philharmoniker in huis heeft. Je hoort Rimsky-Korsakovs zonnige, zwoele impressies van Spanje in contrast met de broeierige leisteen- en parelgrijzen van Rachmaninovs Die Toteninsel, ingegeven door de zwart-witreproductie van het schilderij van Arnold Böcklin die de componist aanzette tot dit werk. Tot slot is er de granieten grandeur van Dvořáks magnifieke maar nog steeds ondergewaardeerde Symfonie nr. 7.
Dirigent Lorenzo Viotti was percussionist bij de Wiener Philharmoniker toen hij studeerde voor dirigent. Zijn keuze voor Rimsky-Korsakovs Capriccio espagnol is daarom toepasselijk: hierin komen op een briljante manier alle mogelijke percussie-instrumenten aan bod. Viotti leest in dit werk bovendien veel mysterie en spanning in 'Scena e canto gitano', waar de eerste violist van het orkest beurtelings met de houtblazerssolisten en de harpist in het voetlicht treedt.
Rachmaninovs Die Toteninsel heeft een heel andere atmosfeer. Niet alleen door de manier waarop het stuk zijn bekende dreigende climax bereikt maar ook door het gloeiende, hartstochtelijke gebaar dat daarop volgt krijgt dit optreden een uitgesproken waardigheid. Dvořáks Symfonie nr. 7, gecomponeerd in 1885, deelt de affiniteit met het dodeneiland door een vroege verwijzing naar het 'Dies irae'-thema dat Rachmaninov een prominente rol geeft. De Tsjechische componist raakt ook aan de nobele stijl van zijn mentor Brahms, maar Viotti en het Wiener accentueren daarnaast Dvořáks expertise in klankkleur die bijvoorbeeld in het stralende spel van de hoorn tot uiting komt.