In de winter van 1838 reisde Chopin samen met zijn minnares, de schrijver George Sand, en een compacte nieuwe piano naar het eiland Mallorca. Hij componeerde daar ten minste acht van zijn 24 Preludes, op. 28: verfijnde miniatuurtjes die een enorme variatie aan stemmingen, texturen en muzikale ideeën in zich dragen, op deze zogenoemde pianino, oftewel 'kleine piano'.
Justin Taylor heeft de preludes die de componist op Mallorca schreef op een bijna identieke pianino – gebouwd door de Parijse firma Pleyel in 1839 – uitgevoerd en opgenomen. Hij voegde daaraan een aantal andere werken van Chopin toe die zich ook goed lenen voor de warme toon van dit instrument.
“Het is zo'n andere piano dan waaraan ons oor gewend is”, zegt Taylor tegen Apple Music Classical. “De moderne piano kan vaak wat droog klinken, zonder zang. Maar dit type piano... Ik ben er helemaal verliefd op geworden.” De pianino van Pleyel, voegt hij toe, produceert een complexe mengeling van kleuren en tonen. Het beslaat zes en een halve octaaf en heeft een houten geraamte in plaats van een van metaal, waar het bedrijf zijn hedendaagse vleugels omheen bouwt. De lichte aanslag van de pianino uit 1839, zijn soepelheid en rijke resonantie geven het instrument een zingend geluid. Je hoort dit al direct aan het begin van het album, in de 'Nocturne in c mineur', of in Taylors eigen arrangement van 'Casta diva', deels gebaseerd op Chopins versie van Bellini's beroemde opera-aria.
Dit karakteristieke geluid komt ook voort uit het feit dat elke noot twee snaren heeft. “Pleyel voegde later een derde snaar aan de pianino's toe, waardoor ze wat moderner en metaalachtiger zijn gaan klinken”, legt Taylor uit. “Dus dit specifieke instrument dat alleen tussen 1835 en 1842 werd gebouwd met maar twee snaren per noot, is nu heel moeilijk te vinden”. De pianino, vervolgt hij, maakt het mogelijk om te horen wat Chopin hoorde toen hij zijn Preludes componeerde. “We hebben natuurlijk zijn muziek, zijn brieven. Maar om zo dicht bij het geluid te komen dat hij toen hoorde is fascinerend.”
Hoewel Justin Taylor vooral gespecialiseerd is in de klavecimbel, is hij ook een bedreven pianist en kenner van oude instrumenten. De Franse musicus ontdekte de pianino van Pleyel op een van zijn bezoeken aan de werkplaats van Olivier Fadini, een restaurateur van historische klavierinstrumenten vlakbij Parijs. “Olivier is gefascineerd door de piano's van Chopin en vroeg me of ik de pianino kende. ‘Nee, daar weet ik niks van’, zei ik. Toen liet hij me op een van zijn Pleyel-pianino's spelen. Maar in die tijd had ik een heel ander repertoire, vooral voor klavecimbel, dus ik kwam niet op het idee om er Chopin op te spelen. Later leerde ik dat Chopin een derde van zijn Preludes op deze specifieke piano had gecomponeerd. Toen herinnerde ik me het geluid, en nam mezelf voor om terug te gaan en Chopin te spelen op deze pianino. Ik keerde terug, en het bleek het perfecte instrument te zijn voor de Preludes.”
Op de pianino van Pleyel heeft elke noot een zachte aanslag, niet in de laatste plaats door de hamers van konijnenbontvilt. De kristalheldere hogere registers van het instrument kunnen als een harp klinken, zoals hier in de Prelude in F majeur, maar spreken vaker, in de woorden van Justin Taylor, met een “fluweelzachte en gesluierde” stem. De bastonen hebben een verrassend gewicht, en de middelste registers klinken helder, hetgeen Taylor uitbuit met dramatisch resultaat in het middelste deel van de 'Prelude in D majeur' ('Regendruppelprelude').
“Je moet hier eigenlijk op spelen alsof je op een klavecimbel speelt” zegt hij. De aanraking is zo subtiel en er is maar weinig gewicht nodig op de toets. Het lijkt totaal niet op de manier waarop je al je gewicht in een moderne piano kunt gooien. En het is moeilijk, want je kan snel verkeerde noten spelen omdat de toetsen wat kleiner zijn dan die van de moderne piano. Ook is de octaaf smaller dan in de piano's van vandaag. Daar ben ik al aan gewend op de klavecimbel. Maar thuis heb ik een staande piano, dus ik moet altijd weer een paar dagen oefenen op de pianino om gewend te raken aan het toetsenbord en de aanraking ervan. Het is geen kwestie van de speler die het instrument zijn manier van spelen oplegt, jij moet je aan het instrument aanpassen.”