Vanaf de authentieke, zachte klanken van de hoornsolo aan het begin en het vloeiende, zelfverzekerde spel van zowel orkest als solist voel je al dat dit een bijzondere uitvoering gaat worden. In tegenstelling tot zoveel anderen die Brahms spelen, hamert Pianist Francesco Piemontesi nooit op zijn instrument, zelfs niet als de verleiding zich aandient om een stormachtig effect te creëren. Maar denk niet dat het daarmee een rustige uitvoering is. In het al even belangrijke orkestdeel hoor je de strijkers van het Gewandhaus de gesluierde passie van Brahms overbrengen in het thema dat direct volgt op het binnenvallen van de piano.
Het drama ontrolt zich vloeiend tussen de pianist en dirigent Manfred Honeck, en bereikt een kookpunt in de climax die doet denken aan het vurige eerste concert van Brahms. De roep van de hoorn die zich daarna weer aandient heeft zo een enorm effect: klaaglijk na alle storm en razernij. Alles speelt zijn rol uit zonder ooit zwaar op de hand te zijn, en zo ontstaat een samenhangend verhaal in een gedeelte dat in andere handen nogal eens van de hak op de tak kan springen.
Dit alles zet zich voort naar de volgende twee delen, met de sereniteit en zelfs hoopvolle verwachting die spreekt uit het einde van het derde deel, wat echt ontroert. Zelfs de relatief ongecompliceerde finale wordt fris geherinterpreteerd, en de dansritmes zelfs nog iets scherper aangezet dan gebruikelijk.
De drie intermezzi, opus 117, ooit door Brahms beschreven als 'wiegeliedjes van mijn smart' worden prachtig vertolkt. Luister in het eerste werk naar de zangerige manier waarop Piemontesi de tegenmelodie bij het terugkerende openingsthema laat klinken.