De sonates van Franck en Chopin bevatten memorabele melodieën en zitten bomvol passie en virtuositeit. Bovendien zetten ze cello en piano op gelijke voet (Capuçon en Wang voeren een later verschenen arrangement van Francks origineel voor viool en piano uit). Beide werken zijn geknipt voor deze twee supersterren. Wangs vurige inleiding van Francks tweede deel ontbolstert bijvoorbeeld een levendige intensiteit in Capuçons spel, terwijl Chopins dartele ‘Scherzo’ en lyrische ‘Finale’ de cello en piano verzoenen in een opwindende ontmoeting van muzikale geesten. Daarbij komen ze met helderheid en gratie tegemoet aan de technische eisen die de componist stelt. Een welkom luchtig moment wordt verschaft in het slotstuk, Piazzolla’s ‘Le Grand Tango’, dat passages van adembenemende tederheid afwisselt met withete ritmische energie.