Dit levendige en gevarieerde album is een sprankelend pronkstuk voor twee opzwepende musici. Het bewijst hoe goed de onderbenutte combinatie van cello en gitaar werkt. De stukken hebben weinig gemeen − de componisten variëren van Dowland en Schubert tot Bright Sheng en Falla − maar de grote reikwijdte biedt juist ruimte voor de muzikanten om zich van veel kanten te laten zien. Johannes Mosers cellospel is eloquent en gul. Xuefei Yangs vakmanschap is technisch perfect en muzikaal inzichtrijk.
Schuberts Sonate voor arpeggione en piano (een arpeggione is een kruising tussen een cello en een gitaar) duikt hier op als het intieme salonstuk dat het oorspronkelijk was. Falla’s Spaanse volksmuziek krijgt extra Iberische passie en mystiek door Xuefeis gitaarspel. Moser en Xuefei komen misschien wel het best tot hun recht in de arrangementen van drie werken van Dowland, oorspronkelijk voor luit en stem. Door de simpele schoonheid van de stukken komt de diepe bedroefdheid die Mosers instrument kan uitdrukken helder naar voren. Tot slot zijn er Bright Shengs Three Songs, gecomponeerd voor pipa (een Chinees snaarinstrument) en cello, die in 1999 in première gingen in het Amerikaanse Witte Huis. Een betere uitvoering dan deze wervelwind van ritmisch en melodisch samenspel is moeilijk voor te stellen.