Dirigent Philippe Jordan laat een frisse zeebries waaien door het weelderig vergulde geluid van de Wiener Philharmoniker. We steken van wal met Mendelssohns Meeresstille und glückliche Fahrt waarin een gedempte introductie en frisse houtblazerstonen een levendig maritiem beeld oproepen, en het orkest vervolgens het ruime sop kiest met opwindend krachtige strijkers- en koperpartijen.
Poème de l’amour et de la mer van Ernest Chausson schetst een rijk beeld van laat-romantische poëzie (vol Wagneriaanse hartstocht gezongen door de Australische sopraan Nicole Car), en gaat vooraf aan een atmosferische, dynamische versie van Benjamin Brittens Four Sea Interludes from Peter Grimes. Tenslotte worden op dramatisch vlak alle zeilen bijgezet voor La mer van Debussy, waarin de verkwikkende details goed tot hun recht komen. Je hoort het slaan op de bassnaren nadat het orkest het heftige, door Debussy voorgeschreven pizzicato afrondt aan het einde van het eerste deel, 'De l’aube à midi sur la mer'.