Sjostakovitsj leed aan grote gezondheidsproblemen toen hij in 1966, aan de vooravond van zijn 60e verjaardag zijn Celloconcert nr. 2 componeerde. Ondanks het dreigende karakter ervan is dit toch allerminst het werk van een uitgeput man, maar dat van een overlever die volledige controle heeft over zijn compositie, en er zelfs niet voor terugdeinst om een sardonische visie op zijn eigen sterfelijkheid te geven.
Cellist Sheku Kanneh-Mason geeft een rijke, genuanceerde versie weg van dit nog altijd ondergewaardeerde werk, dat Sjostakovitsj eigenlijk begon als symfonie. Hij wordt begeleid door John Wilson en zijn Sinfonia of London – waarlijk gelijkgestemde partners voor de cellist. In het middendeel, dat maar weinig instrumenten nodig heeft voor een steeds sterker aanzwellend effect, gaat Kanneh-Mason in dialoog met een aantal magnifieke solisten in het orkest, bijvoorbeeld in de partij met de twee hoorns die je adem doen stokken.
Sheku voegt zich bij zijn zus, de pianist Isata Kanneh-Mason, voor Benjamin Brittens Cellosonate uit 1961, een werk dat door Sjostakovitsj zelfs nog hoger werd ingeschaald dan de sonates van Chopin en Debussy. Behalve de donkere, Sjostakovitsj-achtige pianoakkoorden waarmee het stuk opent, bewonderde de Rus de manier waarop de Engelse componist met slechts cello en piano een buitengewone reeks kleuren tevoorschijn kan toveren: het pizzicato in het tweede deel en de nobele processie van het derde deel: 'Elegia', vormen hoogtepunten in deze duizelingwekkende uitvoering.
Aan het begin van Sjostakovitsj' eigen Cellosonate uit 1934 roept de melodie associaties op met Fauré, waarmee het ver lijkt af te staan van het gebruikelijke bijtende sarcasme van de componist. Maar Isata articuleert vaardig de dissonante tonen die het fluweelzachte begin ontdoen van enig zelfbehagen, zelfs terwijl haar broer aan het zoete thema volop recht doet.