Voor de Canadese pianist Bruce Liu is een album meer dan een verzameling opnames: het is een reis. Lunaris is een zorgvuldig samengestelde reeks werken die licht en duisternis, realiteit en verbeelding, en het intieme en het oneindige verkent. Het album neemt luisteraars mee van de vertrouwde landschappen van Beethovens Mondschein- en Waldsteinsonates naar de onwerkelijkheid van John Cage’s Dream, dat bijna 150 jaar later, in 1948, werd gecomponeerd. "Deze Beethovenstukken spelen is interessant, maar het is al miljoenen keren eerder gedaan", zegt Liu tegen Apple Music Classical. "Ik wilde een persoonlijk doel nastreven met het combineren van deze stukken."
Het woord Lunaris, bedacht door Liu in samenwerking met zijn platenlabel Deutsche Grammophon, verwijst niet alleen naar de maan ('luna'), maar ook naar de duistere, futuristische visioenen van Andrej Tarkovski’s sciencefictionfilm Solaris uit de vroege jaren 70. Liu’s reis voert ons voorbij de romantiek van Chopins 'Nocturne nr. 8' waarmee het programma begint, naar zeldzamer repertoire zoals de voortreffelijke, door de maan beschenen miniaturen van Frederic Mompou, geïnspireerd op het Franse volksliedje 'Au clair de la lune', en de beklijvende weergave van winterse sferen, of 'hivernale', van Reynaldo Hahn. "De nacht is een staat van zijn – alles voelt breekbaar en zwevend", zegt hij. "Daar begint voor mij de creativiteit. De buitenwereld wordt stil, maar de innerlijke wereld opent een ruimte voor verbeelding en dromen."
Als zelfverklaarde nachtbraker wilde Liu naar eigen zeggen de eenzaamheid en stilte van de late uren oproepen, de tijd waarin hij zijn gedachten na een concert de vrije loop kan laten. Debussy’s Rêverie, het derde stuk hier, "vangt dat moment waarop het bewustzijn begint af te dwalen, dat gevoel van een drempel tussen de echte wereld en de wereld van dromen", zegt hij. De delicate, folk-achtige klanken van de Deense singer-songwriter Agnes Obels Tokka creëren ook een gevoel alsof de tijd stilstaat, terwijl Alexander Siloti’s arrangement van de 'Prelude' van J.S. Bach "dichter bij een soort meditatie, een sfeer" komt. Na de intimiteit van Chopin en het dromerige van Debussy is het alsof alles wordt teruggebracht tot de essentie – de muziek lijkt gewoon op een kalme manier te ademen en elke noot draagt een gevoel van onvermijdelijkheid met zich mee. De klok is stil gaan staan, en dan kunnen we de menselijke kant weer gaan verkennen."
Die menselijke kant komt het sterkst naar voren in de strijd van duisternis naar licht in Beethovens Waldsteinsonate. Maar er heerst ook steeds een buitenaards gevoel in het geluid dat Liu op dit hele album produceert. Luister maar eens naar de onberispelijke helderheid waarmee elke noot van de melodie in Chopins nocturne klinkt: het is onwerkelijk. In plaats van slechts één concertvleugel te gebruiken, nam Liu dit album op met twee piano’s – een Yamaha en een Steinway met twee klavieren – waarbij hij soms hetzelfde werk op elk klavier uitvoerde om vervolgens de verschillende takes te combineren in de postproductie. "In een concert offer je altijd je keuzes op omdat je maar één instrument hebt", zegt hij. "In de studio dacht ik: waarom niet eens experimenteren?"
Voor Liu is het bewerken in de studio slechts een ander middel om de talloze kleuren te verkennen die hier in het spel zijn, zoals in Skrjabins 'Pianosonate nr. 4' – een mystieke reis naar "eindeloze lichtgevende mogelijkheden" geïnspireerd door de synesthesie van de componist (het vermogen om noten en toonsoorten als kleuren te 'zien'). Het is ook een van de manieren waarop Liu de koele afstandelijkheid van Ligeti’s 'Etude nr. 4' en de cerebrale onwerkelijkheid van de eerste van Schönbergs atonale 6 Kleine Klavierstücke kan versterken. In het stuk van Cage, waarin hetzelfde materiaal drie keer te horen is, gebruikt Liu voor elke versie een ander klavier, wat helpt om het perfecte einde zonder besluit te creëren. "Na al deze verschillende vormen van de nacht is er geen drama of richting meer, alleen geluid en tijd", zegt hij. "Alles houdt even op."